Drieduizend stuks limited edition vinyl waren er op vrijdagavond beschikbaar van From King To A God. ‘Waren’, want het project dat Conway The Machine een week ervoor uitgebracht heeft, en de plaat die hij zelf als zijn debuutalbum beschouwt, was in een kwestie van minuten uitverkocht. Dat is een fraai staaltje handel waar menig drugsdealer jaloers op kan zijn, maar verdient de plaat al die hype ook? Wij zetten onze headphones op, op zoek naar het antwoord.

“To know that you are God, is another of saying you feel completely with this universe”, horen we een fraai Brits accent dat klinkt alsof het uit lang vervlogen tijden komt vertellen, terwijl zweverige synths met een tikje dreiging erin de sfeer versterken. Het is de stem van Alan Watts, een theoloog die in de jaren ’50 en ’60 het Boeddhisme, taoïsme en hindoeïsme populariseerde in Engelstalige landen, en van grote invloed op de hippiecultuur was. Een flard uit een lezing van hem vormt de albumintro, maar wie denkt dat we op From King To A God een portie flower power te verwerken krijgen komt bedrogen uit. Het duurt nog geen minuut tot El Máquina zijn crew vergelijkt met de Barksdale gang uit The Wire, en de eerste ‘rrrrr’ ad-lib erachteraan ratelt.

Op tweede track Fear of God blijkt echter al direct dat Conway zichzelf niet beperkt tot de door Griselda gebaande paden. Op een frisse Hit-Boy-productie met droge drums horen we de stem van Dej Loaf de beat van wat extra textuur voorzien, en zodra de man zelf erop begint te rappen, valt op hoe comfortabel hij op deze voor hem atypische track klinkt. “Listen, we built the whole Griselda house with our own hands, we did it from nothin’ / I mean, West owned the land, but I did the construction / So fuck your top five if it ain’t me / I came a long way from May Street”, spit hij blakend van zelfvertrouwen. Als de Detroitse gastartieste (die we de laatste jaren veel te weinig horen) ruimte voor de laatste verse krijgt, levert ze een melodische flow die tussen rap en zang inhangt. Het is verre van wat men verwacht op een Griselda-release, en toch klinkt het allemaal volkomen natuurlijk.

Mochten luisteraars door zo’n stilistisch uitstapje van hun apropos zijn geraakt, dan wordt hun geduld direct beloond door opvolger Lemon. Huisproducer Daringer en Beat Butcha leveren een beat af die de sfeer oproept van een gure wind die tussen de betonnen kolossen op slecht verlichte, verpauperde straten doorwaait, terwijl Method Man met zijn feature bewijst in bloedvorm te zijn. En nu we het toch over features hebben, posse cut Juvenile Hell is er één voor de boekjes. Havoc levert de hook, en Conway, Flee Lord en Lloyd Banks komen door met topverses, waarbij die laatste je er en passant meteen aan herinnert hoezeer je de rauwe stem van de beste rapper in G-Unit eigenlijk gemist had.

Hoofdattractie op het album blijft uiteraard Conway zelf. Wie er nog aan twijfelde dat de rapper uit Buffalo straatverhalen kan vertellen als de beste leeft al een tijdje onder een steen, maar op zijn ‘debuutalbum’ is hij ook qua onderwerpen veelzijdiger dan ooit. Op Front Lines spreekt hij zich uit over de golf van protesten die door Amerika trekt naar aanleiding van de moorden op George Floyd en Breonna Taylor. Hij besluit zijn eerste verse door er een emotionele en persoonlijke lading aan te geven: “What if it was my son? I wonder how I’m gon’ react / I bet I’m finna run up in this precinct with this MAC”.

Rockwilder en Erick Sermon tekenen voor de productie van Forever Droppin’ Tears, waarop Conway herinneringen ophaalt aan twee overleden vrienden van hem. Het tempo en open geluid van de beat zorgt ervoor dat de emotionele lyrics voldoende ruimte vinden, zonder uit de toon te vallen of het geheel extra zwaar aan te zetten. Zo blijft het aangrijpende verhaal van de rapper juist op eigen kracht overeind, in plaats van dat het een portie melodrama met zich mee moet torsen. Inhoud en vorm werken zo in een bijzonder krachtig tandem.

Natuurlijk zijn er ook genoeg tracks op de plaat te vinden die wel keurig binnen de lijntjes kleuren van wat de mannen van GxFR in de afgelopen jaren opgebouwd hebben. Gruizige beats met dreigende loops van platen waar genoeg stof op lag om een astmatisch persoon tot wanhoop te drijven, pianolijnen die klinken alsof het instrument ergens in de jaren ’80 voor het laatst gestemd is, en vocale snippets van culthelden uit Amerikaanse worstelwedstrijden; het is er weer allemaal te vinden. Dat recept smaakt nog steeds prima, maar juist doordat Conway ervan af durft te wijken, zonder ook maar een seconde concessies te doen aan de kracht van zijn raps op zowel vocaal als tekstueel gebied, maakt dat From King To A God boven de sowieso al hoge marge van Griselda uitstijgt.

Dat is een doelbewust plan geweest van de man zelf. “Normaal gesproken, als ik een album maak, focus ik op de beste rapper zijn en de beste bars hebben. Op From King To A God wilde ik mijn groei laten zien; hoeveel ik als artiest en als man gegroeid ben. Ik wilde mijn veelzijdigheid etaleren en mensen laten zien dat ik geen ‘one trick pony’ ben”, zei hij in een persbericht. In die missie is hij met verve geslaagd. Sterker nog, het levert in From King To A God zijn beste plaat tot nu toe op.

Stream:

Meer Reviews