Hoe Sean Price ons weer leerde lachen

De brokest rapper you know is niet meer. Op 43-jarige leeftijd is Sean Price overleden in zijn slaap in zijn appartement in Brooklyn. De doodsoorzaak is nog onbekend maar wat buiten kijf staat is dat de hiphop-wereld een alom geliefde grootheid is kwijtgeraakt.

Rawkus Records had zijn hoogtijdagen achter zich gelaten en Aftermath had hiphop in zijn greep met het explosieve debuut van The Game en de onstuitbare opmars van 50 Cent. Lil’ Bow Wow was niet little meer en beleefde een onbegrijpelijke comeback, terwijl er uit het zuiden van de VS een stroom one-hit-wonders met bij hun single horende dansmoves kwam. Common en Kanye brachten soul samples terug en de Black Eyed Peas veranderden in het rappende equivalent van K3. Voor liefhebbers van ouderwets rauwe boombap was er alleen weinig te beleven in 2005. En toen was daar ineens die ene verlossende letter: P!

Als Ruck was Sean ooit begonnen aan een rapcarrière samen met partner Rock, onder de naam Heltah Skeltah. Het duo was onderdeel van de Boot Camp Clik en was, zoals iedereen van de crew, getekend op het Duck Down label. Hun twee albums werden goed ontvangen maar na de jaren 90 werd het rustig rond het duo en verdwenen ze van de radar. De banden met het label bleven gelukkig wel behouden, want toen het label in 2005 een drieluik van albums uitbracht door Buckshot & 9th Wonder, Smif-N-Wessun en Sean Price, was die laatste met afstand de grootste hit uit de set. Duck Down/Boot Camp Clik was helemaal terug en hoewel de andere twee platen ook prima te pruimen waren was het Sean Price zijn Monkey Barz dat hiphop-harten sneller deed kloppen. De heerlijk opgefokte single Boom Bye Yeah nodigde direct uit tot moshpits en Sean’s talent om snoeiharde en rauwe lyrics tegelijk ongekend hilarisch te laten klinken vond alom waardering. Ignorance at it’s finest was de omschrijving die hij er zelf aan gaf in de intro van het album, en van filosofische mijmeringen kon je hem inderdaad nooit betichten. Sterker nog, een succesvol imago projecteren of aan wat voor algemene verwachtingen dan ook van een rapper voldoen was iets waar hij volstrekt niet in geïnteresseerd was. Sean kwam om ongegeneerd te spitten over lompe shit, op lompe beats. Maar wel met een uitgemeten precisie en virtuoos gevoel voor komische timing. Of zoals hij zei in Boom Bye Yeah: Y’all niggas be rhyming about nothing / I rhyme about nothing, and sound like something.

Die komische timing was een godsgeschenk voor de hele hiphopwereld. Als tegengewicht tegen de poppy rap die dominant was in de hitlijsten, nam underground hiphop zich in die jaren serieuzer dan ooit. Er moest knowledge gekickt worden en real worden gekeept, met een afgetrapte Jansport op je rug, en daar kon geen lachje bij vanaf. Sean Price gebruikte de terminologie en stilistische kenmerken van de underground en zette zichzelf neer als een klootzak die er weliswaar een grote reserve van kennis over had, maar er met nog groter plezier tegenaan trapte. In de titeltrack van Monkey Barz bijvoorbeeld, refereert hij aan historisch belangrijke zwarte Amerikanen en hiphop-pioniers maar zet hij zichzelf tegelijk neer als op zwart zaad zittende schooier die liever wiet rookt en met een magnum schiet dan zich daar druk om te maken:

Benjamin Banneker, Afrika Bambaataa
Boom bap bip in your medulla oblongata
You think you nice, but I know somebody hotter
With a crackhead mother and a piece of shit father (Sean P!)
Niggas tryna Free Mumia
I’m unravelling roach clips, tryna free this reefer
Got a Boot Camp hat on, Wu-Wear shirt
Funkmaster Flex Lugz lookin like a fucking jerk
No money, clothes bummy, nose runny
Bent Metrocard, 4-4 blow dummies

De schijnbaar tegenstrijdige combinatie werkte fantastisch en de manier waarop hij zich presenteerde maakte dat de underground fans moeiteloos met hem konden relateren. Sean Price was net zo’n gast als jij, maar dan met een totaal gebrek aan schroom of conformisme, een gezonde dosis zelfspot en heel, héél erg veel beter rappend. Dat dwong respect af terwijl zijn houding en uitstraling hem wel benaderbaar maakten. Bovendien maakte zijn uitgekiende techniek en timing hem een favoriet van veel andere, bij het grote publiek vaak vele malen populairdere rappers. Hoewel hij zelf buiten zijn gestaag groeiende groep fans nooit grote hits heeft gehad bleek een jaar of vijf geleden hoezeer hij een rapper’s rapper was, toen Big Sean, Drake, Nicki Minaj, en in hun kielzog half rappend Amerika, de manier waarop hij een punchline met een enkele term onderstreepte overnam. De stijl werd omgedoopt tot hashtag-rap en toegeschreven aan Big Sean, maar Sean P deed het in 2005 al met regelmaat, bijvoorbeeld op Fake Neptune: Save it mayne / Tricks are for kids, bitch / David Blaine

Rond de tijd van de release van het Random Axe album in 2011 had ik het geluk de groep te interviewen en vroeg hen naar hun mening over dit verschijnsel. Sean P had, niet geheel tegen de verwachtingen in, overal een bijzonder enthousiaste en uitgesproken mening over, maar bleef opvallend laconiek over dit vermeende onrecht. “Ja, ik deed dat. Ik weet niet of ik ’t uitgevonden heb, maar ik deed ’t eerder dan zij” was alles dat hij er in eerste instantie over kwijt wilde. Black Milk moest hem er vervolgens actief toe manen de credits te nemen die hij ook in zijn ogen verdiende, waarna hij nogmaals zei dat hij niet wist of hij de uitvinder ervan was maar er “waarschijnlijk wel” aan toevoegde, en vervolgens ter plekke breed lachend bedacht dat hij dan ook de originele Big Sean was. “Ik heb ’m op Summer Jam gezien en het is moeilijk voor mij om ’m Big Sean te noemen als mijn naam Sean is en die nigga er uitziet alsof ie regendruppels kan ontwijken. Als je het tegen mij over Big Sean hebt, noem je hem Thin Sean, okay? Ik ben Big Sean.”

Het was een in eerste instantie onverwacht bescheiden houding (met een even onverwachte maar karakteristiek komische wending) van een man die in zijn raps niet schroomt om zich vol overtuiging als beste rapper neer te zetten. Zijn kracht zat er dan ook in dat hij vooral gewoon hard wilde rappen, en de rest was incidenteel. Hij was wie hij was, deed zich nooit anders voor en was tevreden met het feit dat hij een goede boterham van één van zijn favoriete bezigheden kon eten. Het was genoeg voor hem, zo lang de skills die hij zo overduidelijk had maar wel het respect kregen dat ze verdienden. Verder gekonkel in de muziekindustrie kon hem worst wezen. De brokest rapper you know was zijn trotse geuzennaam, maar hij refereerde net zo makkelijk naar zichzelf als koning onder de rappers: Too many clowns want the crown, but there’s only one king.

Sean Price groeide in die tweede fase van zijn carrière uit tot culticoon met een niet aflatende populariteit. Een koning was hij in die zin zeker, en een regent die gemist gaat worden. Hij bracht de hardcore terug en bewees meteen dat dat prima met humor samen kon gaan. Hij herinnerde een generatie backpackers, die na het uit elkaar vallen van Rawkus en het dreigende creatieve faillissement van boombap aan het uitgroeien was tot een generatie azijnzeikers, aan het feit dat er met hiphop een hoop lol te beleven was.

Sean Price leerde ons weer lachen.

En daarom laten we vandaag allemaal een traan.

Geplaatst door Jaap van der Doelen op 9 augustus 2015