Waar Babs Gons met Palabras aan de wieg stond van de Amsterdamse spoken word-scene, heeft haar collega Philip Powel in Rotterdam de nodige zaadjes geplant. Met CrimeJazz haalde hij nationale en internationale artiesten naar de havenstad en deze avonden zijn voor veel van de huidige organisaties een inspiratiebron geweest. Deze populariteit had hij echter niet zien aankomen: “Na 2010 had ik het gevoel dat de spoken word-scene wel zo’n beetje aan z’n piek zat. Ik keek naar Amerika. De scene daar heeft tussen 2000 en 2010 een enorme vlucht genomen, ook onder de invloed van Def Poetry Jam. Nationale zendtijd, Mos Def als host; mooier gaat het niet worden. In die slipstream gingen veel grote namen mee en die boekte ik ook op CrimeJazz. Daarna ging het daar downhill. Er kwamen niet echt nieuwe partijen bij en ik deed het hier ook al jaren voor 100 man. Ik dacht dat het daarbij zou blijven, maar er zijn toch mensen die toen in de zaal zaten en zijn geïnspireerd en zijn doorgegroeid in het culturele veld door nu zelf te organiseren. Net als in het podiumcircuit zie je partijen die bottom up zijn gaan ondernemen, waardoor je nu een levendige cultuur hebt.”

Net als Babs kwam ook Philip in de vroege jaren ’90 in New York voor het eerst in aanraking met spoken word: “Ik kwam uit de hiphopgeneratie, maar ik was ook altijd geïnteresseerd in de klassieke poëzie en proza. Hier voelde ik die hiphopenergie maar ik zag dat het ook heel erg teruggreep op de oude verteltraditie. De klassieke poëzie en proza, maar wel met de helden en de symboliek van deze tijd. En zo’n avond ging naadloos over in de nacht en dat vond ik tof, ik wilde graag zoiets in Nederland doen.”

Een kleine tien jaar later startte Powel met CrimeJazz in Rotterdam, samen met toenmalig Nighttown-programmeur Marcel Haug en Deniz Alphay. Later zette hij dit voort met Sasha Dees. “Het was een spanningsveld tussen traditie en actualiteit, tussen hiphop en meer klassieke voordrachtsvormen. Ik had ook altijd muziek, omdat ik merkte dat een hele avond spoken word pittige kost kan zijn. Ik had het geluk dat ik in de slipstream zat van Amerika waar natuurlijk heel veel toffe namen vandaan kwamen. Ik boekte altijd een Amerikaan. Daar zaten hele goede gasten tussen. Soms had ik vijf redelijke artiesten en soms had ik een editie waarbij ik meer moeite had met het vinden van de juiste namen. Dan had je één Amerikaan aan het einde die zo goed was dat het niveau toch in een keer weer omhoog getild werd.”

Nederlandse spoken word-artiesten waren er nog nauwelijks, dus putte Powel voornamelijk uit de rapscene. “Typhoon was nog een broekie toen. Opgezwolle heb ik gehad. Ik daagde de mc’s uit om zonder beats wat te doen. Dat vonden ze spannend. En tegelijkertijd leuk, want dit gaf hen bij uitstek de mogelijkheid om de content waar ze zo mee bezig waren in de meest naakte, pure vorm voor te dragen. Dat was te gek, dat men écht luisterde. Je kunt je nergens achter verschuilen. Het gaat over delivery, over presentatie. Sommige dingen sloegen dood, sommige dingen werden juist exceptioneel en stegen boven zichzelf uit.”

Hoewel er verwantschap is door de context waarin beide disciplines zich ontwikkelden, vereisen ze een andere skill, stelt Philip: “Er zijn rappers die geweldig flowen over beats maar niks zeggen. Dat is bij een spoken wordartiest niet mogelijk. Als je echt niks te melden hebt, val je wel door de mand. Er zijn dus wel nuanceverschillen. Ik vond spoken word juist interessant vanwege de hiphopinvloeden. Ik voelde dat het van mij was, dat het actueel was. Niet de klassieke shit die ik op Poetry International hoor. Dit zijn mensen met mijn referentiekader. Met mijn helden, met mijn ontwikkeling. Dat vond ik tof. En daarom vind ik de combinatie tussen rap en spoken word bijna niet weg te denken.”

Dat de Rotterdamse scene een van ’s lands meest actieve is, heeft volgens Powel te maken met de hiphoptraditie van de stad. “Rotterdam is altijd hofleverancier geweest van mc’s en hiphopartiesten. Dus je hebt een hele sterke verwantschap met de hiphopcultuur en daar gedijt de spoken word-scene gewoon goed in. Het is ook een van de meest multiculturele steden van Nederland. De spoken word-scene is ook heel cultureel divers, dat heeft echt wel met elkaar te maken. Waar de traditionele literaire wereld veel blanker is, komen er heel veel black kids op spoken word af. Ik denk dat dat in zo’n stad gewoon goed gedijt. Ik denk dat de ingrediënten er gewoon zijn.”

“Als het ging over hiphop dan ging dat voor hen over mensen die de hele dag op hun hoofd draaien en freestyles aan het spitten zijn. Maar er is een eredivisie die zich makkelijk kan meten met hun headliners.”

Dat de spoken word-scene voor het festival 010 Says It All samenwerkt met een gevestigde organisatie als Poetry International, is volgens Powel een teken dat spoken word eindelijk serieus genomen worden door het establishment. Dat is, zo merkte hij, lang niet het geval geweest: “Als het ging over hiphop dan ging dat voor hen over mensen die de hele dag op hun hoofd draaien en freestyles aan het spitten zijn. Maar er is een eredivisie die zich makkelijk kan meten met hun headliners. Inhoudelijk, qua performance en qua impact. Ik denk dat ze dat vrij laat beseft hebben. Dit is al sinds de jaren ’90 gaande. Ik denk dat het tekenend is voor nieuwe kunsten in het algemeen. Er werd lang betuttelend over gedaan. Dan mocht je wat doen, maar wel op een side-podiumpje. Je voelde aan alles, de hele manier waarop het werd binnengehaald, dat ze vonden dat ze je een gunst verleenden. Ik zie het allang niet meer zo. Ik denk dat het gewoon een gelijkwaardige situatie is. Hiphop is al gaande. Het Hiphophuis is al gevestigde orde. De directeur krijgt een Laurenspenning, dat geeft wel aan dat het serieus genomen wordt.”

Je zit natuurlijk wel met je profiel of je netwerk. Het is heel moeilijk voor een partij als Poetry International om die doelgroep binnen te halen. Het is niet zo van: we programmeren wat spoken word-artiesten en dan komt die doelgroep. Dat gaat niet gebeuren, dus je moet mensen programmeren die ook interessant zijn voor jouw huidige doelgroep en dat is spannend natuurlijk. Ik denk dat die mensen er zijn. Ik programmeerde zelf voor Geen Daden Maar Woorden en daar zocht ik ook artiesten die in allebei die werelden feilloos overeind blijven staan. Die zijn er absoluut. Geen Daden Maar Woorden is zelf ook iets meer onderdeel van de doelgroep. Een wat jongere organisatie. Ik heb CrimeJazz ook altijd met Passionate (de organisatie achter GDMW – HIJS) gedaan, dus die hadden altijd wel de vinger aan de pols. Hun zwaartepunt lag misschien wat meer bij de traditionelere literatuur, maar ze hadden altijd wel hun voelsprieten uitstaan.”

Zijn programma’s, maar ook zijn activiteiten met jazzclub BIRD – waar hij als artistiek directeur werkt – zijn te vergelijken met de sample-cultuur, legt Powel uit: “Aan de ene kant de actualiteit en anderzijds de traditie waaruit die is voortgekomen. Ik heb altijd wel die twee werelden willen verenigen. Ik denk dat alles voortkomt uit geschiedenis en uit traditie. Het maakt voor mij het verhaal heel logisch als ik het volledige verhaal kan vertellen. Heel veel dingen die nu gebeuren hebben een ontstaansgeschiedenis die bepalend is voor hoe het er nu uitziet. Ze zijn ook geïnspireerd op dingen die toen gebeurden. Door de parallellen van die twee werelden te trekken, heb je een completer verhaal.”

“Als je de context weet van dingen, worden ze logischer”, stelt Philip. “Ik vond het bijvoorbeeld heel interessant om het verhaal van The Last Poets te horen, de context waarbinnen die mannen hun werk gingen voordragen. Kain is wat mij betreft de founder. Die is inmiddels gebrouilleerd met de andere Last Poets en hij is naar Amsterdam gevlucht. Ik kwam hem tegen bij de bakker. Hij is dusdanig getraumatiseerd door dat hele Last Poets-hoofdstuk da hij daar op geen enkele manier meer over wil praten. Hij vertelde wel over de impact die deze periode – eind jaren ’60 – op hem had. Het was een politiek geladen situatie, op zich zoals dat nu ook is op heel vlakken in The States. Hij zag de impact die de pastoor had op de black community. De kerk was heilig. Als klein jongetje zag hij die pastoor preachen en hij dacht bij zichzelf: Dit is zo’n ijzersterk wapen en dit gaat zo direct bij mensen het hart in; op deze manier zou ik mijn community willen toespreken. Veel mensen zeiden toen: Black people don’t read poetry. Zijn antwoord was steevast: But they’re gonna read mine. Kain was heel erg bezig met de orale cultuur zoals die bekend was in de Afro-Amerikaanse maar ook in de Afrikaanse geschiedenis. Hij wilde dat op zo’n manier brengen dat de zwarte community het zou begrijpen. Zodat ze het zouden adopteren, zodat het impact zou hebben. Dat was eigenlijk het startpunt van The Last Poets. Ze hadden toen een plek, Eastwind, daar kwamen ze samen. Heel bijzonder, dat je zo’n moment in de tijd hebt dat gewoon een aantal mensen – toevallig heel getalenteerd – samenkomt en gedachten uitwisselt. Ik denk dat rap daar geboren zou kunnen zijn. De literaire wereld was heel blank en daar is toen het omslagpunt gekomen. En die rapcultuur is – je ziet het – heel erg groot geworden.”

Meer Hijs Poetry, Interviews