Binnenkort verschijnt er vanuit Kunstfactor een publicatie over de stand van zaken in de Nederlandse hiphopscene. Het rapport beschrijft de mogelijkheden die jongeren tegenwoordig hebben om met hiphop bezig te zijn en biedt vanuit verschillende invalshoeken een interessante visie op de volwassenheid en groei van de scene.

In de aanloop naar de release van deze publicatie lichten we elke 2 weken alvast een tipje van de sluier op. In de derde van deze reeks van 4 artikelen belichten we de vraag “Hoe staat men tegenover subsidieverstrekking en de mogelijke aankomende veranderingen hiervan, en tegen welke problemen loopt de hiphopscene op bij het doen van aanvragen?”

Hiphopprojecten worden vaak gesubsidieerd, zowel door lokale overheden als door verschillende fondsen. De meest bekende hiervan zijn het Fonds voor Cultuurparticipatie (FCP), het VSB fonds, het SNS REAAL fonds en stichting DOEN. Bij al deze subsidieverstrekkers is het mogelijk een aanvraag in te dienen. Maar dat lijkt gemakkelijker dan het is.

Het grootste probleem dat hiphoppers tegenkomen bij het aanvragen van subsidies is dat jongeren en subsidieverstrekkers elkaars taal niet spreken. Jongeren snappen soms niet dat je professioneel moet overkomen bij een instantie, en de instantie ziet op haar beurt niet dat jongeren vaak nog niet zo ver zijn. Jade Schiff van het Rotterdamse Roots & Routes: “Veel jongeren hebben heel goede ideeën, maar hebben vaak het gevoel dat ze niet serieus worden genomen door de voornamelijk ‘witte instituten’ die de subsidies verdelen.” Wat haar betreft zou het dan ook gemakkelijker moeten zijn om een kleine projectsubsidie aan te vragen voor bijvoorbeeld de aanschaf van een videocamera om clips mee te filmen, of reiskosten voor een project in het buitenland. Ook pleit zij voor meer vertrouwen in ‘haar’ jongeren: “Laat die jongens gewoon hun idee uitvoeren. Misschien gaat er dan best eens iemand op zijn bek, maar schenk ze dat vertrouwen. Bied ze wel advies en hulp, maar vertel ze niet wat ze moeten doen. Dat werkt niet bij deze doelgroep.”

Ook Tarik Gönenç van de Nijmeegse stichting LosVan constateert een communicatieprobleem tussen de gemeente, de instanties en de hiphopcultuur, voornamelijk bij het aanvragen van subsidies: “Hiphoppers en deadlines, dat gaat nu eenmaal niet samen. Er moet van beide kanten toenadering komen: de hiphoppers moeten zich professioneler presenteren, en de instanties kunnen zich ook wel iets flexibeler opstellen. Anders blijven de traditionele instituten de subsidies binnenhalen.” En als er dan al een dialoog tussen gemeente en hiphopscene plaatsvindt, leidt dat vervolgens nergens toe. Gönenç: “Er is een keer een debat gehouden met de gemeente, daar kwam uit dat er behoefte is aan meer laagdrempelige podia, intensievere samenwerking en meer oefenruimtes. Dat was een mooie uitkomst, maar er is nooit iets mee gebeurd.”

Jolanda Brils van de kunst- en cultuurafdeling van het stadsdeel Zuidoost in Amsterdam erkent het probleem. Dat de scene en de instanties elkaar niet vinden, komt in het geval van het stadsdeel doordat dit als overheidsorgaan een negatief imago heeft, aldus Brils. Zo kwam er niemand naar een informatiebijeenkomst over het schrijven van een subsidieaanvraag toen het Stadsdeel dit organiseerde. Toen exact dezelfde bijeenkomst uit naam van het Bijlmer Parktheater werd georganiseerd, liep het echter storm. Hieruit blijkt dat de scene en de instanties mijlenver uit elkaar liggen.

Een andere veelgehoorde klacht uit de hiphopwereld is dat het moeilijk is om te worden opgenomen in meerjarige subsidiestromen. De Haagse Stichting Aight geeft aan dat het veel tijd kost om ieder jaar opnieuw subsidie aan te moeten vragen. Ook is het riskant: wat als het niet toegewezen wordt? Het bestaan van de Stichting hangt daar voor een groot deel van af. Ook PAN uit Nijmegen en Dynamo uit Eindhoven hebben last van het feit dat kleine organisaties veel tijd kwijt zijn aan het schrijven van subsidieaanvragen. De tijd die daar in gaat zitten, gaat ten koste van de tijd voor de uitvoering van projecten.

Giovanni Campbell werkt voor het Fonds voor Cultuurparticipatie en beoordeelt daar de subsidieaanvragen voor urban projecten. Hij constateert dat de kwaliteit van de aanvragen vaak simpelweg tekort schiet: “Aanvragen zijn niet vernieuwend of kwalitatief niet goed genoeg, waardoor ze worden afgewezen. Dat is zonde want er schuilen vaak wel heel goede ideeën achter.”

Door de moeilijkheden met subsidieaanvragen en zeker met de bezuinigingen van het nieuwe kabinet als vooruitzicht, streven veel organisaties naar zelfredzaamheid. Het Utrechtse Habek bijvoorbeeld ontvangt weinig subsidie voor het uitvoeren van haar projecten, en als ze al iets krijgen is het niet genoeg om een heel project mee te financieren. De Habekkers investeren dan ook vaak zelf in hun stichting. De ambitie is daarom om zelfvoorzienend te worden zodat Habek niet meer afhankelijk is van toevallige subsidies en eigen bijdragen. Rapper PAX: “De kern van de zaak moet blijven dat de cultuur zichzelf innoveert. Zeker in deze tijden van bezuinigingen moeten we laten zien dat vernieuwende projecten werken. We moeten geen gesubsidieerd fenomeen blijven, maar onszelf zien te kunnen redden”. Habek is in ieder geval op de goede weg en steeds meer acts breken door. Zo hebben C-Mon en Kypski en ook Kyteman en zijn hiphoporkest, beide gevestigde namen, hun oefenruimtes bij Habek. Ook The Q4, dat optrad voor een volle tent op Lowlands 2010, is gecoacht bij Habek en ontwikkeld in samenwerking met productiehuis Oost Nederland (ON) uit Deventer.

Dit streven naar zelfredzaamheid wordt toegejuicht door Tyrone Van der Meer en Mario Walden van Stichting 45 Live en IBE International. Zij zijn van mening dat er juist te veel in plaats van te weinig geld wordt gepompt in allerlei projecten en zien dit als een probleem dat gekoppeld is aan de “welzijnshiphop” uit het eerste artikel van deze reeks. Van der Meer: “Hiphop is cultuur en kunst, en niet een instrument om jeugdproblematiek op te lossen. Het geld sijpelt weg omdat de doelstelling niet wordt behaald. Een rapworkshop zorgt er echt niet voor dat een jongen opeens geen tassen meer steelt. Hij is misschien een uurtje van de straat, maar daarna is er toch niks veranderd? Veel projecten zijn bovendien overbodig. Zo wilde de gemeente een studio bouwen in de Maassilo in Rotterdam. Waarvoor? Mensen maken dingen thuis op zolder, zetten het op YouTube en boeken daarmee succes. Beats halen ze bij elkaar, alles is gericht op informele straatverkoop. Dat was in de jaren ’90 in de VS al zo en dat gaat alleen maar meer worden, want het wordt steeds gemakkelijker en toegankelijker om dingen te maken. En toch blijft men maar geld geven. Voor IBE reizen wij veel en jongeren uit derde wereldlanden zijn vaak net zo goed als de kids van hier, terwijl ze geen stuiver hebben. Hiphop is ontstaan uit een gebrek, en dat gebrek wil iedereen nu vullen omdat de kinderen op straat hangen. Dat is fout. Dat gebrek moet je niet opvullen, maar gebruiken om je op artistiek niveau verder te ontwikkelen. De gemeente moet beter nadenken over wie ze geld geven. Wie zich wil redden, redt zich toch wel.” Van der Meer benadrukt wel dat subsidies van fondsen beter worden overwogen en dus ook vaker op de juiste plaats terecht komen.

Orville Breeveld van Stichting Breathing constateert ook dat er momenteel nog te veel geld zomaar in projecten wordt gestoken. Breeveld: “Nederland is nog altijd één van de beste landen op sociaal gebied. Je hoeft niet eens te werken en je krijgt geld van de overheid. Ik neem jongens uit Zuidoost ook echt niet serieus als ze rappen over het getto. Ze hebben alles! Er wordt veel te veel geld gepompt in talentontwikkeling zonder doel. Het moet maar eens afgelopen zijn met die pampering, zodat hiphop weer kunst kan worden.”

Meer Achtergronden