J.Dilla als producer is van onmiskenbaar belang voor hiphop, maar zijn rol op de mic is daarbij ook van groot belang. Toch was zijn enige soloalbum als rapper er bijna niet geweest. Een verhaal over janken om je relatie met een platenlabel, een kapotte CD-R in een stoffige opslagplaats en hoe The Diary uiteindelijk het gapende gat in Dilla’s discografie opvulde.

Wanneer een gevierd muzikant komt te overlijden, wordt het materiaal dat diegene in de archieven heeft laten liggen vaak alsnog een bron van postume releases. Elke alternatieve take, elk afgekeurd nummer, elke onafgemaakte schets; het wordt allemaal iets dat mensen willen hebben. En zelfs wanneer de bodem van de bron in zicht is, zijn er altijd nog remixes, tribute-projecten en deluxe reissues, zodat deze nooit daadwerkelijk droog komt te liggen. Dat een vrijwel compleet album, waar de artiest tijdens zijn leven volledig achter stond en met ziel en zaligheid aan gewerkt heeft, na diens dood zo’n veertien jaar lang stof verzamelt, is dan ook een zeldzaamheid. En toch is dat precies wat er gebeurde met J.Dilla’s The Diary. Fans luisterden al jaren naar een karige bootleg-versie getiteld Pay Jay, maar het duurde tot 2016 tot Dilla’s visie uit 2002 pas de eer kreeg die het verdiende.

In 2001 was Dilla (toen nog bekend als Jay Dee) al een gevestigde en succesvolle producer voor diverse rappers. Bovendien had hij met Fantastic Vol.1, het debuut van zijn groep Slum Village, de blauwdruk voor de neo-soul beweging geleverd. Zijn eerste soloalbum Welcome 2 Detroit leverde goede kritieken op, en onder meer De La Soul, Janet Jackson, The Pharcyde en A Tribe Called Quest hadden wereldhits behaald op zijn beats. De buzz rond Dilla was groot.

Voor het grote publiek was hij echter nog een onbekende. Het respect dat hij in muziekkringen verdiend had, weerhield politie in zijn thuisstad er niet van hem lastig te vallen. Na de zoveelste vernederende aanvaring met de wet, was hij volgens zijn moeder tot tranen toe gefrustreerd. “Ga naar beneden, maak er een song over, en lach ze in hun gezicht uit”, was haar advies. De inmiddels iconische single Fuck The Police was niet veel later geboren, en Dilla bracht het naar verschillende labels. D-Smooth kreeg het in handen en speelde de demo over de telefoon af om te laten horen aan KeyKool, één van de eigenaren van indielabel Up Above Records. “Ik viel uit mijn stoel en zei tegen D dat hij Dilla moest geven wat hij maar wilde”, herinnert die zich. Up Above bracht het als 12” uit in de herfst van 2001, waarna het al snel een underground anthem werd.

Rond die tijd werkte Dilla ook aan zijn tweede soloalbum, nadat hij een deal met het enorme label MCA getekend had. Dit keer wilde hij alleen niet alle beats zelf maken om er anderen op te laten rappen. Dat had hij immers met zijn vorige plaat al gedaan, en Dilla hield er niet van zichzelf te herhalen. Liever wilde hij van deze gelegenheid gebruik maken om een kant van hem te showcasen waar hij tot dan toe minder bekend om stond: dit werd het album dat Dilla als rapper zou neerzetten.

“Hij zei altijd dat wanneer hij de mic had, hij een alter ego had”, aldus producer, drummer en vriend Kariem Riggins, die Drive Me Wild voor hem produceerde. “Dilla was niet zichzelf op de mic. Hij was heel flamboyant en zelfverzekerd. De Dilla die wij kenden was juist heel bescheiden en rustig. Dus hij nam zeker een karakter aan op de mic. En hij wilde iedereen battlen.”

Dat hij de beats voor dit project grotendeels uit handen gaf, betekende uiteraard niet dat deze niet belangrijk voor hem waren. De kans om samen te werken met beatmakers die hij waardeerde en bewonderde greep hij met beide handen aan. Naast zijn idool Pete Rock werkten producers als Kanye West, Bink!, Nottz, House Shoes, Waajeed, Hi-Tek, Supa Dave West en Madlib aan het album mee.

Die laatste bewonderde Dilla al sinds 1999, toen hij Soundpieces: Da Antidote! hoorde, het debuut van Madlib’s groep Lootpack. “Weten dat Madlib dat allemaal deed op de SP1200 freaked me out, want de enige gast die ik kende die die machine zó kon freaken was Pete Rock”, zei Dilla in een interview met URB magazine in 2004. “Dat album was crazy. Ik en mijn partners hebben lang gereden met die shit. Zo gauw ik mijn deal met MCA getekend had, ging ik naar hem op zoek.”

De chemie die hij en Madlib hadden leidde er uiteindelijk toe dat zij een duo zouden vormen onder de naam Jaylib. Dat was deel van de reden voor Dilla zijn verhuizing naar LA vormde, en de deal met Stones Throw Records, dat uiteindelijk zijn magnum opus Donuts uitbrengen zou.

Jaylib

“Hij maakte de plaat helemaal op zichzelf, vrijwel exclusief in Detroit. In studio’s die hij koos, zonder het label erbij te betrekken. Met uitzondering van Wendy Goldstein, die hem getekend had”, vertelde Eothen Alapatt, beter bekend als Egon, voormalig manager bij Stones Throw en tegenwoordig bestuurder van Rappcats en Madlib Invazion samen met Madlib. Toen het label MCA in 2003 opgeheven werd, werden een aantal van de artiesten die er getekend waren ondergebracht bij Interscope en Geffen Records. Veel zagen hun contract echter in rook oplossen. Wendy Goldstein raakte haar baan kwijt, en ook de deal die zij met Dilla getekend had werd ontbonden.

Het hele project, en het uiteindelijke verdwijnen ervan, stak Dilla. “Deze game kan je breken en in tranen achterlaten”, zei hij een jaar later aan het eerdergenoemde URB. Opnieuw vond hij echter een creatieve manier om met zijn frustratie om te gaan. Niks wilde hij op dat moment weten van het werken met grote budgetten en nog grotere labels. Dilla ging 180 graden de andere kant op door een EP op het Duitse underground-label Groove Attack uit te brengen. Het resultaat was Ruff Draft; een heerlijk schurend lofi-meesterwerk “straight from the mutafuckin’ cassette” dat als een hoogtepunt in zijn oeuvre geldt.

In de jaren na zijn dood werden de geruchten over een ‘verdwenen Dilla album opgenomen tijdens zijn jaren op MCA’ steeds luider. Uiteindelijk lekte het leeuwendeel ervan als een bootleg die in de meeste gevallen bekend is onder de naam Pay Jay. De elf tracks daarvan komen (met uitzondering van Fuck The Police) van een ongemasterde demo die Dilla op een CD-R naar het label had gestuurd. Wat hij zelf als titel erop geschreven had geeft zijn stemming richting hen op dat moment wellicht aardig aan: THE MIDDLE FINGER.

Alle Pay Jay-versies die circuleren, zijn gebaseerd op mp3-bestanden die destijds in lage bitrate van dat gebrande CD’tje zijn geript. Dat ze voor 2016 nooit in een fatsoenlijke afgemixte versie te horen waren, kwam niet alleen doordat de deal met MCA verviel. Zij hadden zelf namelijk niet meer dan die CD in hun archieven, en het was onduidelijk wie nu eigenlijk de rechten in handen had. “Wij hebben het er lang over gehad om het uit te brengen” liet Stones Throw-oprichter Peanutbutter Wolf in 2012 weten. “Ik heb het er met Ma Dukes [Dilla’s moeder -HIJS] over gehad. Maar ik weet het niet. Er zijn ook onafgemaakte nummers, er is er eentje waarop hij Snoop Dogg een shout out geeft, en daar zou Snoop een verse kicken maar dat is nooit gebeurd. Als wij de clearance krijgen om het te releasen, zou ik graag iedereen die erbij betrokken was, zoals Snoop, willen laten helpen het af te maken.”

Waar de bronbestanden echter gebleven waren, wisten zijn vrienden en zakenpartners op dat moment wel al. “Nadat hij verhuisde uit Detroit bleven zijn bestanden daar. Dit was niet het soort plaat dat gemaakt was voor een major label waarbij tapes heen en weer gaan naar de A&R, om in een kluis ergens te belanden. Dilla deed alles zelf”, legde Egon uit. “Dus toen we in het ziekenhuis met hem over de plaat praatten, vroegen we als eerste waar de tapes waren. Hij wist nog precies waar die waren.”

Dilla - The Middle Finger

De nalatenschap van Dilla zou echter jarenlang vast komen te zitten in een juridisch getouwtrek tussen zijn familie en het advocatenkantoor dat deze beheerde. Pas toen zijn familie enkele jaren terug de controle herwon, kon de restauratie goed en wel beginnen. In 2016 zag de plaat eindelijk het licht, onder een eigen label genaamd ‘Pay Jay’, in partnerschap met Nas zijn Mass Appeal. Snoop had ondertussen de kans gekregen een verse te leveren, en is naast Kokane en Dilla te horen op Gangsta Boogie, een track geproduceerd door Hi-Tek. Het is daarmee meteen één van de weinige tracks die niet op de bootlegs te horen waren.

Wat daar ook niet op te horen was, was de track The Anthem met Frank-N-Dank, al kenden luisteraars van de bootleg de vocalen daarvan wel al. Op de uiteindelijke albumversie klinken deze over een zomerse productie van Dilla zelf, maar op de CD-R klonk een rauwere versie getiteld We F’d Up, geproduceerd door een jonge Kanye West. De beat klinkt als een protoversie van wat uiteindelijk Jay-Z’s Takeover zou worden, en knalt zelfs in de gare mp3-versie heerlijk uit de speakers.

Bijna zou de wereld het met die versie hebben moeten doen, tot in een verlopen opslagplek vol met overgebleven major label-spullen, de originele door Dilla gebrande CD-R teruggevonden werd. De coating bladderde eraf en de CD was onspeelbaar geworden, op twee glasheldere tracks na: de Kanye West-versie van The Anthem en een alternatieve take van Fuck The Police, met een iets gewijzigde vocale intro. Niemand had nog zin daar opnieuw een juridische speurtocht van te maken, maar bij Rappcats wist men hoe graag fans deze tracks wilde horen in goede kwaliteit. Ze persten 1000 stuks op white label vinyl en noemde deze 12” The Middle Finger.

The Diary is achteraf bezien een wat vreemde, maar essentiële eend in de bijt van Dilla’s discografie. De man die inmiddels als één van de beste beatmakers ooit gezien wordt, is er nauwelijks op te horen in die rol. Wel geeft hij een prachtige staalkaart af van de beatmakers die hém weer inspireerden anno 2002, en laat hij horen hoe soepel hij zich een weg door hun beats banen kan als rapper. Het bewijst dat Dilla vele malen veelzijdiger is dan hoe hij postuum soms gezien wordt. De plaat is het document van een sleutelmoment in zijn muzikale leven. Zonder The Diary immers geen Ruff Draft én geen Champion Sound, en zonder Champion Sound weer geen Donuts.

En zonder Donuts? Tja, wie wil zich überhaupt indenken hoe hiphop er dan uit zou zien?

Thank you, Jay Dee.

Meer Achtergronden