Het is vandaag 25 jaar geleden dat OutKast in 1996 hun tweede album ATLiens uitbracht. De groep die halverwege de jaren ’90 massaal boegeroep ontving, gaf hiermee een muzikaal antwoord af waarvan de echo tot op de dag van vandaag doorklinkt. Een persoonlijke terugblik op de plaat die Atlanta definitief op de kaart zette.

Het moet ergens rond mijn vijftiende of zestiende geweest zijn dat ik ATLiens voor het eerst hoorde. De plaat kwam uit op 27 augustus 1996, maar in een tijdperk zonder internet en opgroeiend in het Brabantse Oss met weinig hiphopliefhebbers om me heen, was het verre van zelfsprekerd dat je op de releasedatum al met een album in aanraking kwam. Wanneer het tweede album van OutKast dan ook exact op mijn pad kwam is behoorlijk diffuus; het kan weken na die zomer van ’96 geweest, het kan een vol jaar erna geweest zijn; ik weet het simpelweg niet meer.

Ik had nog nooit zoiets cools gezien in een albumcover.

Wat ik me nog wel levendig herinner is het moment dat ik de cover voor het eerst zag. Doelloos door het vak ‘Hiphop / R&B’ bladerend in de lokale Free Record Shop, staarde die groene letters met hun zilveren zijkanten me plotsklaps aan: OutKast, ATLiens. Met daartussen twee kerels, één met een witte baseball-cap en een ander met een groene tulband op, omsingeld door onmogelijk gespierde kolossen met vuisten zo groot als strakgespannen zitzakken, en een gezichtsuitdrukking die aangeeft de twee centrale figuren niet bepaald goed gezind te zijn. En dat alles door illustrator Frank Gomez getekend in een dynamische comicbook-stijl die extra onderstreept wordt door de rechthoek linksboven, waarin het moment van verschijning, en een verkoopprijs vermeld staan. Alsof  het hier daadwerkelijk om het nieuwste maandelijks deel van een superheldenserie gaat.

Ik had nog nooit zoiets cools gezien in een albumcover. Dat ik naast platenverzamelaar een fervent striplezer was zal meegeholpen hebben. Samen met twee vrienden, waarvan één oud genoeg was om al een rijbewijs te hebben, stapten we elke zaterdag in de auto richting Den Bosch, om daar naar de stripboekwinkel te gaan. Na enkele uren kwamen we steevast met een zeer zorgvuldig gekozen stapel comics naar buiten. Het was een paar jaar nadat tekenaar Todd McFarlance opgestapt was bij Marvel, en een aantal van zijn populairste generatiegenoten meegenomen had om samen de onafhankelijke uitgeverij Image op te richten, met zijn eigen karakter Spawn als vlaggenschip.

OutKast - ATLiens cover

Je zou het niet zeggen als je die drie nerds in die Bossche winkel rond had zien hangen, maar comics waren weer cool. Superheldenstrips waren weer volop onderdeel onderdeel van de popcultuur, en daar sloot de cover van OutKast hun tweede plaat naadloos op aan. En toen ik ATLiens onderweg naar Den Bosch in de autoradio stopte, waren we het er alledrie over eens dat er daarmee een minstens even indrukwekkende inhoud verkocht werd. André 3000 en Big Boi lieten samen met productieteam Organized Noize een soort hiphop horen dat moeilijk te plaatsen was. Het klonk tegelijk swingend en intens melancholisch, melodieuzer dan veel rap die we kenden, maar zonder poppy te worden of iets aan spanning in te leveren.

Aliens uit Atlanta, en hun UFO was zeker niet geland om buiten die contreien vrienden te komen maken.

We ontbeerden destijds het muzikale vocabulaire om te omschrijven hoe het kwam, maar 25 jaar later is het overduidelijk wat het tweede album van OutKast zo’n onmiskenbaar eigen sfeer gaf. ATLiens is door en door dirty south. Dr. Dre en DJ Quik bouwden vanuit het westen voort op een rijke funktraditie, vanuit New York werd voor de boombap geput uit soul en jazz, maar dit paste in géén van die referentiekaders. De bouwstenen van deze plaat waren gospel en blues, en dat maakte hen direct al vreemde eenden in de bijt. Onderdeel van hiphop, maar tegelijk iets dat niet helemaal klonk als wat tot dan toe als zodanig herkend werd. Hun groepsnaam gaf al aan dat ze buitenbeentjes waren, de albumtitel deed dat nog eens en koppelde dat vervolgens aan hun complete stad. Aliens uit Atlanta, en hun UFO was zeker niet geland om buiten die contreien vrienden te komen maken.

Veel van de frustratie daarover werd geboren uit wat een jaar eerder plaatsvond tijdens de awardsshow van het toonaangevende magazine The Source. Toen André en Big Boi het podium opkwamen om de onderscheiding van ‘New Artist of the Year – Group’ op te halen, werden ze door het New Yorkse publiek op een massaal boegeroep onthaald. De geboortestad van hiphop had er hoorbaar moeite mee dat hun hegemonie niet langer vanzelfsprekend was; ook Westcoast-iconen Snoop en Dre kregen die avond eenzelfde met haat gevulde ontvangst. Suge Knight, hun platenbaas bij Death Row Records en een man die nooit om een geweldsdelict meer of minder verlegen heeft gezeten, besloot ter plekke wat olie op het vuur te gooien door lokale held Puff Daddy en diens Bad Boy Records te dissen. Hij plantte daarmee het zaadje voor wat uit zou groeien tot de east/west beef, een strijd die pas na de tragische dood van Biggie gesust zou worden.

“The south got something to say, and that’s all I got to say.”

Het puristische thuispubliek dat in 1995 niet verkroppen kon dat de G-funk zo’n grote stroming geworden was in de cultuur die grofweg twee decennia eerder in hun stad geboren werd, zat al helemaal niet te wachten op wat zij zagen als twee ‘boerkes uit het zuiden’, met hun eigenaardige slang, die vloeiende ‘southern twang’ in hun raps en samples uit stilistisch ‘verkeerde’ grond. Het was allemaal geen ‘echte’ hiphop, hun accenten klonken ‘dom’ en ze wilden er niks van weten. Het feit dat rap-liefhebbers wereldwijd Southernplayalisticadillacmuzik, de heerlijk groovende debuutplaat van OutKast, wel omarmd hadden, droeg eerder bij dan af aan die antipathie.

De twee reageerden zichtbaar geïrriteerd, en André besloot hun korte speech met de even ironische als inmiddels iconische woorden “The south got something to say, and that’s all I got to say.” Hij liet liever de muziek voor zich spreken. En hoe.

De verbolgen attitude van die avond zit dan ook door heel ATLiens verweven. André en Big Boi waren opgegroeid als hiphopliefhebbers met veel van dezelfde idolen als waar New Yorkers groot mee waren geworden. Ze hadden nooit een onvertogen woord in de richting van hun oostelijke collega’s gesproken. In tegendeel; ze hadden een leven lang hun platen gekocht en gedraaid. De ‘two dope boys’ hadden er inspiratie uit geput, en uiteindelijk besloten zelf ook nummers te gaan schrijven, waarin ze vervolgens de muzikale wortels van hun families en de invloeden uit hun omgeving verwerkten. Wat kon je anders dan representen waar je vandaan kwam? Op een authentieke manier jouw wereld neer proberen te zetten? En precies dat leverde hen nu een berg haat op, enkel omdat ze niet uit de five boroughs kwamen? Halverwege de single Elevators geeft Big Boi ze zijn antwoord: “’96 gon’ be that year that all y’all playa haters can bite me”.

“’96 gon’ be that year that all y’all playa haters can bite me”

ATLiens werd opgenomen in verschillende professionele studio’s in Atlanta, en deels zelfs in de befaamde Chung King studio in New York. Maar wie deze plaat en de uitstekende documentaire The Art of Organized Noize kent, zal daarin een plek hebben gezien die bekend voelt, zonder er ooit geweest te hoeven zijn. De bedompte kelder waaraan The Dungeon Family, de overkoepelende crew waartoe Organized Noize en OutKast behoren, hun eerste projecten in opnam, en hun naam aan te danken heeft.

De tracks van ATLiens werden er niet getapet, en toch voelt heel het album als die plek: een laag plafond, ondersteund door houten balken in een ruimte zonder ramen, waar de warme lucht van Atlanta geen kant op kan. Donker en vochtig als een klamme deken, maar je neemt alles voor lief omdat je met vrienden bent waarvan je weet dat jullie samen iets bijzonders aan het maken zijn. Iets dat gemaakt móet worden, ook al zegt dat de buitenwacht steeds weer dat het nooit iets wordt. De creativiteit broeit letterlijk in de hitte die kronkelige strepen in de wereld boven het asfalt trekt.

Wat Mobb Deep’s The Infamous… is voor Queensbridge, is ATLiens voor Atlanta. Een aardedonker meesterwerk dat nergens anders vandaan had kunnen komen. Geen seconde wordt er een handreiking richting New York gedaan op ATLiens, het album gaat juist 180 graden de andere kant op. Zo komen OutKast en Organized Noize op een heel nieuw punt uit, en verbreden ze gaandeweg wat hiphop zijn kan. De onbevangen vrolijkheid van hun debuutalbum is afgeschud, en heeft plaats gemaakt voor pure bewijsdrang. Niet in de zin dat zij aansluiting zoeken met degenen die hen niet moeten, maar juist door qua sound ‘Atlanta in het kwadraat’ te gaan. Zo wisten ze een plek binnen de hiphop voor zichzelf en hun scene op te eisen.

“Cooler than a polar bear’s toenail”

Tekstueel loopt ATLiens bovendien parallel aan het spiritueel ontwaken van André 3000. De rapper werd vegetariër, verdiepte zich in allerlei filosofieën en ontwikkelde zijn geheel eigen gevoel voor mode, waarvan de tulband op de cover de eerste zichtbare stap was. Het zorgde ervoor dat hij en Big Boi tijdens hun tour niet langer dezelfde bus konden delen; de eerste wilde dat er niet meer gerookt werd, de tweede wilde juist een smoke-out onderweg kunnen houden. Ondanks dat de twee op verschillende sporen in leven kwamen, onderhielden ze echter wel hun vriendschap. En juist de verschillen tussen hun persoonlijkheden, vulde elkaar in de tracks perfect aan. André’s introspectieve overpeinzingen krijgen de kans niet om te verzanden in tobberig navelstaren, want na enkele momenten is Big Boi daar weer om het duo van tanden te voorzien met raps vol bravoure.

De titeltrack is een lichtend voorbeeld van die even spannende als effectieve tweedeling. Big Boi rapt over hoe hij “cooler than a polar bear’s toenail” is, terwijl zijn maat zich over zijn toekomstig kind afvraagt “If or if not the child we raise gon’ have that nigga syndrome / Or will it know to beat the odds regardless of the skin tone?”. En waar de raps van Big Boi zich door de beats heen weven, klanken rekkend en spelend met melodie, stapelt André schijnbaar eindeloze patronen van lettergrepen op elkaar vol binnenrijm en alliteratie. Beiden worden hierbij enorm geholpen door hun zuidelijke tongval. Die geeft André een soepelheid die je normaal gesproken niet verwacht bij dergelijke technisch indrukwekkende raps, terwijl het de aanstekelijk melodieuze flows van Big Boi op een vanzelfsprekende manier versterkt.

“Never judge a book by its cover” luidt een Engelse zegswijze, maar die afbeelding is, bij een gebrek aan voorkennis, wel wat je als eerste grijpen moet. Geen probleem bij ATLiens, want de cover blijkt een uitstekende voorbode van wat je krijgt. Niet dat de plaat agressief is overigens, want deze subliem samenhangende suite van songs brengt je eerder in een trance dan in een moshpit —wat dat betreft is het bijna Atlanta dub. Maar hier staan wel twee rappers die heel hun wereld ineens tegen zich hebben zien keren. En die besloten hebben niet mee te buigen onder die druk, maar hun handen te heffen, zich schrap zetten, en te vertrouwen op alles wat hen maakt wie ze zijn. De ogen staan uitdagend tegenover de overweldigende oppositie.

Alsof ze op het punt staan een zegswijze uit een ander zuidelijk oord te delen, dat iedereen die in het Brabantse Oss opgegroeid is maar al te goed kent: “Loat ze mar komme, godverdomme.”

Het album herbeleven doe je hieronder:

Meer Achtergronden